Visie op onderzoek binnen de AOS

Praktijkonderzoek

We hebben inmiddels ruime ervaring met zittende leerkrachten en met PA-studenten die onderzoek op school doen. Als we kijken naar het niveau van het onderzoek dat verricht is en de (onderzoeks-) vaardigheden en mogelijkheden van de leerkrachten, dan is het een grote verbetering  dat een aantal goede gewoonten bij  het doen van wetenschappelijk onderzoek gebruikt zijn en inmiddels ook stevig in het onderwijs op deze scholen verankerd wor­dt.  Leerkrachten zijn ervan overtuigd geraakt dat, als ze vragen stellen aan hun eigen praktijk, ze dat beter systematisch en cyclisch kunnen doen dan via een ad hoc aanpak via de trial en error methode. Ze zetten stappen die voor een groot deel vergelijkbaar zijn met de stappen van wetenschappers.  De onderzoekscyclus raakt ingeburgerd op scholen. Maar daarmee functioneren leerkrachten nog niet op een wetenschappelijk niveau. De meetlat die in de academische wereld gehanteerd wordt t.a.v. onderzoek en publicaties mag niet eenvoudig gekopieerd worden naar onderzoekende leerkrachten in het basisonderwijs. Uit de ervaring met het opleiden en begeleiden van leerkrachten in de afgelopen jaren kunnen we concluderen dat het voor deze leerkrachten ontmoedigend en demotiverend is om dat te suggereren.

Ook bij het kopiëren van een aantal wetenschappelijke onderzoeksmethodes naar de onderwijspraktijk dienen we voorzichtig te opereren omdat een aantal daarvan helemaal niet geschikt is  om door leerkrachten uitgevoerd te worden (het zuivere experiment bijvoorbeeld). Terwijl een aantal andere (soms minder ontwikkelde) wijzen van onderzoek doen juist beter geschikt is (bijvoorbeeld actieonderzoek).

Het onderzoek dat door de leerkrachten op een academische basisschool uitgevoerd wordt moet dicht bij hun vragen en praktijk staat. Dan kunnen ze, logisch denkend, gebruik makend van eerder on­derzoek, op basis van een goed plan onderzoek doen. Ze zijn daarmee eigenaar geworden van de resultaten en kunnen vervolgens hun collega’s helpen om op basis van de conclusies het onderwijs te verbeteren.

 

Onderzoek is gericht op het verbeteren en borgen van de onderwijspraktijk

De deelnemende scholen hebben onderzoek vaak gekoppeld aan ontwikkelingsdoelen, aan collectieve en individuele verbetering van het onderwijs.  Onderzoek kan immers helpen antwoord te krijgen op de twee basisvragen: Doen we/ik de dingen goed? Doen we/ik de goede dingen? Daarnaast wordt onderzoek ook gebruikt om na te gaan of een bepaalde nieuwe aanpak, een didactiek, of een nieuw voertuig voor het leren (Snappet) een verbetering is of niet.
Veel onderzoeken zijn opbrengstgericht en/of gerelateerd aan een verbetering en uitbreiding van de didactische vaardigheden. Het is van belang dat het onderzoeksthema relevant is voor het team en de schoolontwikkeling. 

Voorwaarden voor onderzoek in de school

Onderzoek dat leidt tot verbetering van het onderwijs verdient een plaats in de school. Maar onderzoek wordt nooit een structureel onderdeel van het handelen van leerkrachten als er geen bedding is voor dat gedrag.

Scholen (lees schoolleiders en besturen) dienen er voor te zorgen dat er een aantal basale voorwaarden vervuld zijn. Op die basis kan er goed onderzoek plaatsvinden. Het is van belang dat de schoolleider (bestuurder) belang toekent aan het doen van onderzoek en dit koppelt aan het schooolbeleid. Hij/zij moet zich bewust zijn van zijn eigen voorbeeldrol. De schoolleider/bestuurder die wil dat leerkrachten onderzoek doen zonder zelf kritische vragen te stellen aan de eigen praktijk, zal waarschijnlijk geen onderzoekende cultuur realiseren. 

Het is van belang het gehele schoolteam te betrekken bij het doen van onderzoek. Dit impliceert niet dat ieder individueel teamlid ook daadwerkelijk de gehele onderzoekscyclys zelfstandig moet doorlopen.  De school kan een onderzoeksgroep samenstellen op basis van motivatie en expertise. Een goede communicatie binnen het team is omtrent het onderzoeksproces en de resultaten is voorwaardelijk om effect op schoolontwikkeling te kunnen hebben.